Hoe ontstaat faalangst?
Hoe faalangst ontstaat, verschilt per jongere. Soms kan het simpelweg de overgang zijn van basisschool naar middelbare school – een periode waarin het opgroeiende kind moet leren zich staande te houden in een nieuwe omgeving. De steeds grotere druk om te presteren, met meer toetsen en verantwoordelijkheden, maakt het voor sommige jongeren extra uitdagend.Jongeren die in hun jeugd nare gebeurtenissen hebben meegemaakt, lopen meer risico op faalangst. Denk aan:- Gepest worden op de basisschool
- Een scheiding van ouders
- Het verlies van een dierbaar persoon
Persoonskenmerken en faalangst
Naast omgevingsfactoren spelen ook persoonskenmerken een rol bij faalangst. Jongeren met ASS (autisme) hebben bijvoorbeeld sneller last van spanningsklachten. Een middelbare school biedt weinig structuur, met constant veranderende roosters en onverwachte wijzigingen. Dit vraagt veel schakelen, waardoor het brein sneller overprikkeld raakt en minder goed kan ontspannen.Andere kenmerken die faalangst kunnen versterken:- Perfectionisme
- Dyslexie, dyscalculie of TOS (taalontwikkelingsstoornis)
Hoe herken je faalangst?
In de klas kan faalangst zich op verschillende manieren uiten:- Overschreeuwen: Jongeren kunnen brutaal of agressief gedrag vertonen, of voortdurend grappen maken om hun onzekerheid te maskeren.
- Ontvluchten: Sommige leerlingen blijven thuis met vage klachten en proberen zo onopvallend mogelijk te zijn.
- Benauwdheid
- Spierpijn
- Slaapproblemen
- Vergeetachtigheid
- Darmklachten (diarree of verstopping)
- Depressieve gevoelens
Wat kun je als ouder of docent doen?
Om faalangst te verminderen, is het belangrijk dat jongeren hun angst leren bespreken. In de training leren jongeren:- Hun zorgen delen: Door met bijvoorbeeld een mentor te praten, kunnen stressverlagende oplossingen worden bedacht. Een medeleerling of iemand uit hun netwerk kan hierbij helpen.
- Grote doelen opdelen: Maak grote taken, zoals een spreekbeurt of werkstuk, behapbaar door ze op te delen in kleinere doelen. Beloon elke stap en plan voldoende pauzes in.
- In het hier en nu blijven: Door te letten op ademhaling en kleine successen te benoemen, leren jongeren hun zorgen los te laten.
- Helpt deze gedachte mij of werkt hij tegen mij?
- Welke gedachte kan mij wél helpen?
- “Ik doe mijn best, en meer dan dat kan ik niet doen.”
- “Zonder fouten kun je niet leren.”





